Zonder Taal Geen Verhaal

Rendhagyó igék “B” betű

Bedenken – bedacht/bedachten – bedacht – kitalál
Ik bedenk een goed spelletje voor Pakjesavond.
Ik bedacht een goed spelletje voor Pakjesavond.
Ik heb een goed spelletje bedacht voor Pakjesavond.

bedragen – bedroeg- bedroegen – bedragen – kitesz (összeg)
De kaarten bedragen 500 euro.
De kaarten bedroegen 500 euro.

beginnen – begon/begonnen – begonnen- kezdődik
De film begint om zes uur.
De film begon om zes uur.
De film is om zes uur begonnen.
begrijpen – begreep/begrepen – begrepen -ért, megért
Ik begrijp je niet.
Ik begreep de les niet.
Ik heb het niet begrepen.

behouden – behield / behielden – behouden – megtart
Ik behoud alle officiele dokumenten.
Ik behield alle officiele dokumenten.
Ik heb alle officiele dokumenten behouden

bekijken – bekeek/bekeken – bekekenmegnéz
Ik bekijk vandaag een nieuw huis.
Ik bekeek gisteren een nieuw huis.
Ik heb een nieuw huis bekeken.

bechrijven – beschreef/beschreven – beschreven- leír
Ik beschrijf de gebeurtenissen voor jou.
Ik beschreef de gebeurtenissen voor de politie..
Ik heb de gebeurtenissen voor de politie beschreven.

besluiten – besloot/besloten – besloten- dönt, eldönt
Ik besluit nu wat we morgen doen.
Ik besloot het al.
Ik heb het al besloten.

bespreken – besprak/bespraken – besproken- megbeszél
We bespreken het plan.
We bespraken gisteren wat het plan is.
We hebben het plan al besproken

bestaan – bestond/bestonden – bestaan – fennáll, létezik 
Het examen bestaat uit vier onderdelen.
Het examen bestond uit vier onderdelen.
Het examen heeft uit vier onderdelen bestaan.

betreffen – betrof/betroffen – betroffen – tartozik,vonatkozik
Het betreft een auto ongeluk.
Het betrof een auto ongeluk.
Het heeft een auto ongeluk betroffen.

betrekken – betrok/ betrokken – betrokken – birtokba vesz
Ik betrek morgen het nieuwe huis.
Ik betrok gisteren het nieuwe huis.
Ik heb het nieuwe huis betrokken.

bevallen – beviel/bevielen – bevallen – szül
Ik beval in een ziekenhuis.
Ik beviel thuis.
Ik ben thuis bevallen.

bevinden – bevond/bevonden – bevonden – talál
Ik bevind me in het huis.
Ik bevond me gisteravond in het huis.
Ik heb me gisteravond in het huis bevonden.

bewegen – bewoog/bewogen – bewogen – mozog
Ik beweeg elke dag.
Ik bewoog gisteren veel.
Ik heb altijd veel bewogen.

bewijzen – bewees/bewezen – bewezen – alátámaszt, bebizonyít
Ik bewijs mijn onschuld.
Ik bewees mijn onschuld.
Ik heb mijn onschuld bewezen.

bezitten – bezat/bezaten – bezeten – birtokol
Ik bezit een auto.
Ik bezat een auto.
Ik heb een auto bezeten.
bezoeken – bezocht/bezochten – bezocht – meglátogat
Ik bezoek elke week mijn ouders.
Ik bezocht in het weekend mijn ouders.
Ik heb gisteren mijn oma bezocht.

bidden – bad/baden – gebeden – imádkozik
We bidden elke avond.
We baden gisteravond.
We hebben gisteren gebeden.

binden – bond/bonden – gebonden – köt
Ik bind mijn veters.
Ik bond mijn veters.
Ik heb mijn veters gebonden.

blijken bleek/bleken – gebleken – tűnik
Het blijkt een myterie.
Het bleek een mysterie.
Het is een mysterie gebleken.

blijven – bleef/ bleven – gebleven – marad
Ik blijf vanavond bij mijn oma.
Ik bleef gisteravond bij mijn oma.
Ik ben gisteravond bij mijn oma gebleven..

breken- brak/braken – gebroken – tör, eltör
Ik breek mijn been op twee plaatsen.
Ik brak mijn been op twee plaatsen.
Ik heb mijn been op twee plaatsen gebroken.

brengen – bracht/brachten – gebracht – hoz, meghoz
Ik breng een taart mee.
Ik bracht een taart mee.
Ik heb een taart meegebracht.

buigen – boog/bogen – gebogen – hajol, meghajol
Hij buigt voor het publiek.
Hij boog voor het publiek.
Hij heeft voor het publik gebogen.

If you enjoyed this post, please consider leaving a comment or subscribing to the RSS feed to have future articles delivered to your feed reader.

Leave a Reply

Powered by WordPress | Designed by Elegant Themes