Zonder Taal Geen Verhaal
Currently Browsing: Igealakok

Rendhagyó igék “D-G” betű

20140421_192616[1]

Deelnemen – nam/namen deel – deelgenomen- részesedik, résztvesz
Ik neem deel aan een wedstrijd.
Ik nam deel aan een wedstrijd.
Ik heb aan een wedstrijd deelgenomen.

Denken – dacht/dachten – gedacht – gondol
Ik denk vaak aan onze oude kat.
Ik dacht gisteren aan onze oude kat.
Ik heb gisteren aan onze oude kat gedacht.

Doen – deed/deden –gedaan – csinál
Ik doe elke zaterdag de boodschappen met mijn man.
Ik deed gisteren de boodschappen.
Ik heb gisteren de boodschappen gedaan.

Doorbrengen – bracht/brachten door – doorgebracht -elkölt(időt), eltölt
Ik breng heel de dag met mijn zoon door.
Ik bracht heel de dag met mijn zoon door.
Ik heb heel de dag met mijn zoon doorgebracht.

Doordringen- drong/drongen door – doorgedrongen – áthatol, keresztülhatol
De regen dringt door mijn jas.
De regen drong door mijn jas.
De regen is door mijn jas doorgedrongen.

Doorgaan –ging/gingen door – doorgegaan
De vergadering gaat vandaag door.
De vergadering ging gisteren door.
De vergadering is gisteren doorgegaan.

Doorlopen – liep/liepen door – doorgelopen -siet, folyamatosan megy/halad, kilép
Ik loop door om op tijd te zijn.
Ik liep door om op tijd te zijn.
Ik ben doorgelopen om op tijd te zijn.

Doorlopen –doorliep/doorliepen -doorgelopen – végigmegy, befejez
Ik doorloop de cursus.
Ik doorliep de cursus.
Ik heb de cursus doorgelopen.

Dragen – droeg/droegen – gedragen -visel
Ik draag graag een zwarte rok.
Ik droeg gisteren een witte rok.
Ik heb gisteren een witte rok gedragen.

Drijven – dreef/dreven – gedreven – sodródik
De boot drijft op het water.
De boot dreef op het water.
De boot heeft op het water gedreven.

Dringen – drong/drongen – gedrongen – furakszik, tolakszik, tuszkol
De tijd dringt.
Ik drong me in de metro.
Ik heb me in de metro.

Drinken – dronk –dronken – gedronken – iszik 
Ik drink drie kopjes koffie per dag.
Ik dronk al een kopje koffie.
Ik heb gisteren vier kopjes koffie gedronken.

Dwingen – dwong/dwongen – gedwongen – kényszerít
Ik dwing mezelf naar de gym te gaan.
Ik dwong mezelf gisteren naar de gym te gaan.
Ik heb jou gedwongen naar de gym te gaan.

Ervaren – ervoer/ervoeren- ervaren – tapasztal
Ik ervaar geen discriminatie.
Ik ervoer geen discriminatie.
Ik heb geen discriminatie ervaren.

Eten- at/aten – gegeten -eszik
Ik eet een appel.
Ik at een appel.
Ik heb een appel gegeten.

Gaan –ging/gingen – gegaan – megy
Wij gaan naar de film.
Wij gingen naar de film.
Wij zijn naar de film gegaan.

Gelden –gold/golden-gegolden -érvényes
De regels gelden voor alle medewerkers
De regels golden voor alle medewerkers.
De regels hebben voor alle medewerkers gegolden.

Genieten –genoot/genoten-genoten – élvez valamit
Ik geniet graag van een lekker stukje taart.
Ik genot gisteren van een lekker stukje taart.
Ik heb gisteren van een lekker stukje taart genoten.

Geven – gaf/gaven –gegeven – ad
Ik geef een klein cadeau aan jou.
Ik gaf een klein cadeau aan jou.
Ik heb een klein cadeau aan jou gegeven.

Glijden – gleed/gleden – gegleden – siklik, csúszik, suhan
De slee glijdt heel snel.
De slee gleed heel snel.
De slee is heel snel gegleden.

Glimmen –glom/glommen- geglommen – fénylik, ragyog
De lichtjes glimmen in de boom.
De lichtjes glommen in een boom.
De lichtjes hebben in een boom geglommen.

Grijpen –greep/grepen- gegrepen – megfog, megmarkol, elkap
Ik grijp de vallende boord.
Ik greep de vallende boord.
Ik heb de vallende boord gegrepen.


Rendhagyó igék “B” betű

Bedenken – bedacht/bedachten – bedacht – kitalál
Ik bedenk een goed spelletje voor Pakjesavond.
Ik bedacht een goed spelletje voor Pakjesavond.
Ik heb een goed spelletje bedacht voor Pakjesavond.

bedragen – bedroeg- bedroegen – bedragen – kitesz (összeg)
De kaarten bedragen 500 euro.
De kaarten bedroegen 500 euro.

beginnen – begon/begonnen – begonnen- kezdődik
De film begint om zes uur.
De film begon om zes uur.
De film is om zes uur begonnen.
begrijpen – begreep/begrepen – begrepen -ért, megért
Ik begrijp je niet.
Ik begreep de les niet.
Ik heb het niet begrepen.

behouden – behield / behielden – behouden – megtart
Ik behoud alle officiele dokumenten.
Ik behield alle officiele dokumenten.
Ik heb alle officiele dokumenten behouden

bekijken – bekeek/bekeken – bekekenmegnéz
Ik bekijk vandaag een nieuw huis.
Ik bekeek gisteren een nieuw huis.
Ik heb een nieuw huis bekeken.

bechrijven – beschreef/beschreven – beschreven- leír
Ik beschrijf de gebeurtenissen voor jou.
Ik beschreef de gebeurtenissen voor de politie..
Ik heb de gebeurtenissen voor de politie beschreven.

besluiten – besloot/besloten – besloten- dönt, eldönt
Ik besluit nu wat we morgen doen.
Ik besloot het al.
Ik heb het al besloten.

bespreken – besprak/bespraken – besproken- megbeszél
We bespreken het plan.
We bespraken gisteren wat het plan is.
We hebben het plan al besproken

bestaan – bestond/bestonden – bestaan – fennáll, létezik 
Het examen bestaat uit vier onderdelen.
Het examen bestond uit vier onderdelen.
Het examen heeft uit vier onderdelen bestaan.

betreffen – betrof/betroffen – betroffen – tartozik,vonatkozik
Het betreft een auto ongeluk.
Het betrof een auto ongeluk.
Het heeft een auto ongeluk betroffen.

betrekken – betrok/ betrokken – betrokken – birtokba vesz
Ik betrek morgen het nieuwe huis.
Ik betrok gisteren het nieuwe huis.
Ik heb het nieuwe huis betrokken.

bevallen – beviel/bevielen – bevallen – szül
Ik beval in een ziekenhuis.
Ik beviel thuis.
Ik ben thuis bevallen.

bevinden – bevond/bevonden – bevonden – talál
Ik bevind me in het huis.
Ik bevond me gisteravond in het huis.
Ik heb me gisteravond in het huis bevonden.

bewegen – bewoog/bewogen – bewogen – mozog
Ik beweeg elke dag.
Ik bewoog gisteren veel.
Ik heb altijd veel bewogen.

bewijzen – bewees/bewezen – bewezen – alátámaszt, bebizonyít
Ik bewijs mijn onschuld.
Ik bewees mijn onschuld.
Ik heb mijn onschuld bewezen.

bezitten – bezat/bezaten – bezeten – birtokol
Ik bezit een auto.
Ik bezat een auto.
Ik heb een auto bezeten.
bezoeken – bezocht/bezochten – bezocht – meglátogat
Ik bezoek elke week mijn ouders.
Ik bezocht in het weekend mijn ouders.
Ik heb gisteren mijn oma bezocht.

bidden – bad/baden – gebeden – imádkozik
We bidden elke avond.
We baden gisteravond.
We hebben gisteren gebeden.

binden – bond/bonden – gebonden – köt
Ik bind mijn veters.
Ik bond mijn veters.
Ik heb mijn veters gebonden.

blijken bleek/bleken – gebleken – tűnik
Het blijkt een myterie.
Het bleek een mysterie.
Het is een mysterie gebleken.

blijven – bleef/ bleven – gebleven – marad
Ik blijf vanavond bij mijn oma.
Ik bleef gisteravond bij mijn oma.
Ik ben gisteravond bij mijn oma gebleven..

breken- brak/braken – gebroken – tör, eltör
Ik breek mijn been op twee plaatsen.
Ik brak mijn been op twee plaatsen.
Ik heb mijn been op twee plaatsen gebroken.

brengen – bracht/brachten – gebracht – hoz, meghoz
Ik breng een taart mee.
Ik bracht een taart mee.
Ik heb een taart meegebracht.

buigen – boog/bogen – gebogen – hajol, meghajol
Hij buigt voor het publiek.
Hij boog voor het publiek.
Hij heeft voor het publik gebogen.


Módbeli segédigék ragozása

A módbeli segédigék fontos szereplői a holland nyelvnek. Használatuk során a mondat és mondanivalónk jelentése jeletékenyen megváltozhat.

Gyakorlatilag 5 ilyen ige van a hollandban: moeten, hoeven niet, willen, kunnen, mogen. worden. Elméletileg a zullen is ide tartozik, de a zullen használatát hagyományosan később szokás tárgyalni, ezért most én is kihagyom a listából. Használatáról egy későbbi bejegyzésben lesz szó.

A következőkben megtaláljátok az igék ragozását és jelentését. A könnyebb megértés érdekében végig egy példamondatot fogok használni.

Ik gaa naar school. Iskolába megyek

Moeten-moest/moesten-gemoeten: szükségesség kifejezésére szolgál, jelentése kell.

Ik moet naar school gaan. Iskolába kell mennem.

Névmás Ragozás Névmás Ragozás
Ik moet Wij moeten
Jij moet Jullie moeten
Het/Hij/Zij moet Zij moeten

Hoeven niet- hoefde/hoefden-gehoeven/gehoefd a moeten ellentéte, jelentése nem kell, nem szükséges

Ik hoef niet naar school gaan. Nem kell iskolába mennem,

Névmás Ragozs Névmás Ragozás
Ik hoef Wij hoeven
Jij hoeft Jullie hoeven
Hij/Zij/Het hoeft Zij hoeven

 

Willen-wilde/wilden-gewild – szándék kifejezése, jelentése akarni

Ik wil naar school gaan. Iskolába akarok menni.
Ik wil graag naar school (gaan). Szeretnék iskolába menni.

Névmás Ragozás Névmás Ragozás
Ik wil Wij willen
Jij wilt Jullie willen
Hij/Zij/Het wilt Zij willen

Kunnenkon/konden/gekund– képesség kifejezésére szolgál,

Ik kan naar school gaan. El tudok menni az iskolába.

Névmás Ragozás Névmás Ragozás
Ik kan Wij kunnen
Jij kunt/kan Jullie kunnen
Hij/Zij/Het kan Zij kunnen

Mogen-mocht/mochten-gemogen – annak kifejezésére szolgál, hogy valami engedélyezett/megengedett, jelentése: szabad

Ik mag naar school gaan. Szabad iskolába mennem.

Névmás Ragozás Névmás Ragozás
Ik mag Wij mogen
Jij mag Jullie mogen
Hij/Zij/Het mag Zij mogen

 

A módbeli segédigék helye a mondatban.

A holland szórend legszilárdabb eleme, hogy a ragozott ige mindig a második helyen áll, attól függetlenül, hogy mi van előtte. Ez alól ezek az igék sem képeznek kivételt, ahogyan azt már fenti példákban is látható. Ha segédigét használunk, akkor a jelentést hordozó ige infinitiv alakban a mondat végére kerül. A szórend tehát:

Alany + ragozott ige (segédige) + idő + hely +mód+főnévi igenév.

Ik moet vandaag op school veel leren.


Rendhagyó igék – “A” betű

Akik elkezdték már a holland nyelv tanulását, biztosan hallottak már a rendhagyó igékről. A rendhagyó igék azok, amelyek múltbéli alakját, illetve (az itt még nem tárgyalt) igéből képzett melléknévi alakját, (olvas, olvasott) nem az általános szabálynak megfelelően képezzük. Ez a poszt egy „sorozat” első darabja, amelyben a rendhagyó igék abc sorrendben szerepelnek. A három alak bemutatásán túl egy-egy példamondat is segít a könnyebb megértést.

Főnévi igenév Múlt idejű alak Befejezett melléknévi igené
gaan ging/gingen gegaan
menni ment (el)ment

Ez a poszt egy “sorozat” első darabja. A rendhagyó igéket abc sorrendbe fogom majd kitenni az oldalra. Minden posztban szerepelnek majd az igék három alakja, mint a fenti példában és lehetőség szerin három példamondat is a könnyebb megértést segítve.

„A” betű:

Aanbevelen – Beval/bevalen aan – aanbevolen – Ajánl, javasol
Het restaurant beveelt de zalm van de chef aan. – Tegenwoordige tijd / jelenidő
Het restaurant beval de zalm van de chef aan. Verleden tijd – múlt idő
Het restaurant heeft de zalm van de chef aanbevolen. Voltooid tegenwoordige tijd – befejezett jelen

Aanbieden – Bood/boden aan – aangeboden – Kínál, megkínál, felkínál, felajánl
Bied je me geen drankje aan? Tegenwoordige tijd / jelenidő
Bood je me geen drankje aan? Verleden tijd – múlt idő
Heb je me geen drankje aangeboden? Voltooid tegenwoordige tijd – befejezett jelen

Aanbreken – Brak/braken aan – aangebroken – Pirkad,hajnalodik
De dag breekt aan.Tegenwoordige tijd / jelenidő
De dag brak aan. Verleden tijd – múlt idő
De dag is aangebroken. Voltooid tegenwoordige tijd – befejezett jelen

Ik breek de verpakking van de rijstwafels aan.Tegenwoordige tijd / jelenidő
Ik brak de verpakking van de rijstwafels aan. Verleden tijd – múlt idő
Ik heb de verpakking van de rijstwafels aangebroken. Voltooid tegenwoordige tijd – befejezett jelen

Aanbrengen – Bracht/brachten aan – aangebracht – Feljelent, be-, elárul
Zij brengt het behang aan.Tegenwoordige tijd / jelenidő
Zij bracht het behang aan. Verleden tijd – múlt idő
Zij heeft het behang aangebracht. Voltooid tegenwoordige tijd – befejezett jelen

Aandoen – Deed/deden aan – Aangedaan – becsatol
Ik doe mijn jas aan.Tegenwoordige tijd / jelenidő
Ik deed mijn jas aan. Verleden tijd – múlt idő
Ik heb mijn jas aangedaan. Voltooid tegenwoordige tijd – befejezett jelen

Aandrijven – Dreef/dreven aan – aangedreven – hajt
De motor drijft de auto aan.Tegenwoordige tijd / jelenidő
De motor dreef de auto aan. Verleden tijd – múlt idő
De motor heeft de auto aangedreven. Voltooid tegenwoordige tijd – befejezett jelen

Aandringen – Drong/drongen aan – aangedrongen – ragaszkodás
Ik dring bij mijn huisarts op een bloedtest aan.Tegenwoordige tijd / jelenidő
Ik drong bij mijn huisarts op een bloedtest aan. Verleden tijd – múlt idő
Ih heb bij mijn huisarts op een bloedtest aangedrongen. Voltooid tegenwoordige tijd – befejezett jelen

Aandurven – (durfde)Dorst/dorsten aan – aangedurfd – Mer egy feladatot
Wij durven het aan een huis te kopen.Tegenwoordige tijd / jelenidő
Wij dorsten/durfden het aan een huis te kopen. Verleden tijd – múlt idő
Wij hebben het aangedurfd een huis to kopen. Voltooid tegenwoordige tijd – befejezett jelen

Aangaan – Ging/gingen aan – aangegaan – Vonatkozik, tartozik, illet
Gaan jullie het contract aan?Tegenwoordige tijd / jelenidő

Aangeven – Gaf/gafen aan – aangegeven – odaad
Hij geeft de wijn aan.Tegenwoordige tijd / jelenidő
Hij gaf de wijn aan. Verleden tijd – múlt idő
Hij heeft de wijn aangegeven. Voltooid tegenwoordige tijd – befejezett jelen

Aanhebben – Had/hadden aan – aangehad – Hord, visel
Hij heeft een broek aan.Tegenwoordige tijd / jelenidő
Hij had een broek aan. Verleden tijd – múlt idő
hij heeft een broek aangehad. Voltooid tegenwoordige tijd – befejezett jelen

Aanhouden – Hield/hielden aan – aangehouden – Fennáll, lézetik
Hij houdt zijn jas aan.Tegenwoordige tijd / jelenidő
Hij hield zin jas aan. Verleden tijd – múlt idő
Hij heeft zijn jas aangehouden. Voltooid tegenwoordige tijd – befejezett jelen

Aanjagen – (jaagde) Joeg vagy jaagde aan – aangejaagd – Okoz, előidéz
De film jaagt mij angst aan.Tegenwoordige tijd / jelenidő
De film joeg/jaagde mij angst aan. Verleden tijd – múlt idő
De film heeft mij angst aangejaagd. Voltooid tegenwoordige tijd – befejezett jelen

Aankijken – Keek/keken aan – Aangekeken – megnéz
Ik kijk jou aan.Tegenwoordige tijd / jelenidő
Ik keek jou aan. Verleden tijd – múlt idő
Ik heb jou aangekeken. Voltooid tegenwoordige tijd – befejezett jelen

Aankomen – Kwam/kwamen aan – Aangekomen – Odaért, (meg)érkezik
De trein komt om tien uur aan. Tegenwoordige tijd / jelenidő
De trein kwam om tien uur aan. Verleden tijd – múlt idő
De trein is om tien uur aangekomen. Voltooid tegenwoordige tijd – befejezett jelen

Aannemen – Nam/namen aan – aangenomen – Elfogad, felfog, feltételez
De baas neemt de werknemer aan.Tegenwoordige tijd / jelenidő
De baas nam de werknemer aan. Verleden tijd – múlt idő
De baas heeft de werknemer aangenomen. Voltooid tegenwoordige tijd – befejezett jelen

Aansluiten – Sloot/sloten aan – Aangesloten – csatlakozik
Peter sluit de computer aan.Tegenwoordige tijd / jelenidő
Peter sloot de computer aan. Verleden tijd – múlt idő
Peter heeft de computer aangesloten. Voltooid tegenwoordige tijd – befejezett jelen

Aantrekken – Trok/trokken aan – Aangetrokken – Vonz, húz, magához vonz
Het jongetje trekt zijn jas aan.Tegenwoordige tijd / jelenidő
Het jongetje trok zijn jas aan. Verleden tijd – múlt idő
Het jongetje heet zijn jas aangetrokken. Voltooid tegenwoordige tijd – befejezett jelen

Aanwijzen – Wees/wezen aan – aangewezen – Kijelől, jelez, mutat
De leraar wijst onze foutjes aan.Tegenwoordige tijd / jelenidő
De leraar wees onze foutjes aan. Verleden tijd – múlt idő

Aanzien – Zag/zagen aan – aangezien – Szemügyrevesz, megnéz
Waar zie je me voor aan?Tegenwoordige tijd / jelenidő
Waar zag je me voor aan? Verleden tijd – múlt idő
Waar heb je me voor aangezien? Voltooid tegenwoordige tijd – befejezett jelen

Achterblijven – Bleef/bleven achter – Achtergebleven – Hátramrad
Ik blijf hier achter.Tegenwoordige tijd / jelenidő
Ik bleef hier achter. Verleden tijd – múlt idő
Ik ben hier achtergebleven. Voltooid tegenwoordige tijd – befejezett jelen

Afhangen – Hing/hingen af – Afgehangen – Függ valamitől
Het hangt van het weer af.Tegenwoordige tijd / jelenidő
Het hing van het weer af. Verleden tijd – múlt idő
Het heeft van het weer afgehangen. Voltooid tegenwoordige tijd – befejezett jelen

Afkomen – Kwam/kwamen af – Afgekomen – Jön, ered
De Kindle komt van Chris af.Tegenwoordige tijd / jelenidő
De Kindle kwam van Chris af. Verleden tijd – múlt idő
De Kindle is van Chris afgekomen. Voltooid tegenwoordige tijd – befejezett jelen

Aflopen – Liep/liepen af – afgelopen – Befejeződik, lezárul
Volgende maand loopt het abonnement af.Tegenwoordige tijd / jelenidő
Vorige maand liep het abonnement af. Verleden tijd – múlt idő
Vorige maand is het abonnoment afgelopen. Voltooid tegenwoordige tijd – befejezett jelen

Afnemen – Nam/namen af – afgenomen – Csökken,fogy, gyengül
De werkster neemt het stof af.Tegenwoordige tijd / jelenidő
De wekster nam het stof af. Verleden tijd – múlt idő
De werkster heeft het stof afgenomen. Voltooid tegenwoordige tijd – befejezett jelen


Egyszerű múlt

Az egyszerű múlt képzése a holland nyelvben nem túl bonyolult, de az alapokat érdemes jól megtanulni.

 Mikor használjuk az egyszerű múltat?

Olyan múltbeli esemény leírásakor, ami nincsen hatással a jelenre:
Het was gisteren een mooie dag.

-Egy adott múltbeli eseménykor történtek leírása:
Op zijn verjaardag feliciteerden we hem, zongen we een verjaardagsliedje en gaven we hem een cadeau.

-Ha egy múltbeli történésre hivatkozunk, az utána következő események leírására is az egyszerű múltat használjuk:
We zijn naar een concert gegaan daarna fietsten we naar huis

A toen kötőszó után:
Toen ik klein was, aten we veel aardappel.

Ha egy adott állapotról beszélünk:
Vorig jaar kookte ik elke avond.

(tovább…)


« Previous Entries

Powered by WordPress | Designed by Elegant Themes