Zonder Taal Geen Verhaal
Currently Browsing: Gyakorlás

Gyakorlás II.

1 Képezzetek jelzős szerkezeteket a megadott szavakkal.

Pl.: öreg ház, kicsi ágy.

 oud öreg
mooi szép
goed jó
klein kicsi
geel sárga

 de trui pulover
het huis ház
de fiets kerékpár
de auto autó
het bed ágy

 2. Helyettesítsd be a zárójelben lévő melléknevet a mondatba.

 Een appel is een ….vrucht. (rond). Az alma kerek gyümölcs.

Ik heb twee … pennen. (groen). Két zöld tollam van.

Ik heb een … dochter. (mooi). Szép lányom van.

Mijn man heeft een … horloge (geel). A férjemnek van egy sárga órája.

Ik will graag een koffie met … suiker. (bruin). Egy kávét barna cukorral

Het is een … kind. (leuk). Ez egy kedves gyerek.

Het is een … probleem. (groot). Ez nagy probléma.


Gyakorlás 1 lecke

DSCF0018

1. Helyettesítsd be a zárójelben lévő ige ragozott alakját!

Példa Zij … het huiswerk. (doen) Zij doet het huiswerk.

  1. Hij …. morgen naar de dokter. (gaan)
  2. Hij … een kilo aardappels. (kopen)
  3. Ik … elke avond een sinaasappel. (eten)
  4. … jij ook melk? (drinken)
  5. Het … koud buiten. (zijn)
  6. Ik … naar mijn werk. (fietsen)
  7. …. jij ook naar jouw werk? (fietsen)
  8. Wij … naar de stad. (gaan)
  9. Ik … je morgen. (spreken)
  10. …. ik je morgen? (spreken)
  11. Ik … het al uren (zoeken)
  12. Ik … twee katten. (hebben)
  13. Hij … een boek. (lezen)
  14. Jullie … te veel. (eten)
  15. Zij …. snel. (praten)

2. Ragozd el a következő igéket: werken, slapen, vragen, leren.


3. Helyettesítsd be a névmást (én, te, ő stb.)

  1. werkt veel. (Péter)
  2. . leer Nederlands.
  3. kookt elke avond.
  4. . gaan naar de markt.
  5. Gaan …. ook naar de film?
  6. schrijft een brief. (Anna)
  7. Kijken … naar de tv?
  8. lezen een boek.
  9. . spelen buiten. (a gyerekek)
  10. Rijd … niet te snel?

4. Fordítsd le a fenti mondatokat! (plusz feladat)


Afmaak zinnen I.

Fejezd meg a mondatokat!

 

Jan is waak te laat, omdat …

Jan is vaak te laat, want …

Ik doe een cursus Engels, omdat …

Ik doe een cursus Engels, opdat …

hij sport heel veel, omdat ….

Hij sport ze veel dat …

De docent geeft een paar extra oefeningen, zodat …

De cursisten doen deze extra oefening, opdat …

Ik ben echt aam vakantie toe, aangezien …

Volgende week ga ik met vakantie, zodat …

Ik ga snel huis, voordat …

Ik ging meteen naar huis, nadat …

Ik ga terug naar mijn eigen land, nu …

Ik blijf in Nederland, zolang …


Powered by WordPress | Designed by Elegant Themes